Vroeg van het land, kwaliteit in de kuil

De nieuwe vanggewasregels die in 2019 van kracht gingen hebben de maisrassenkeuze in ons land stevig beïnvloed. In 2020 werd ruim 60% van het maisareaal in Nederland ingezaaid met vroege rassen. Op zand- en lösspercelen zijn (zeer) vroege rassen meestal in september oogstrijp, zodat je het vanggewas kunt nazaaien. Bijkomend voordeel: vroege rassen hebben minder opbrengstderving van droogte.

De vroegheid van een maisras is uitgedrukt in FAO: een getal dat het aantal groeidagen aangeeft. In Nederland zijn ultravroege (FAO 170-190) tot middenvroege (FAO 225-240) beschikbaar. Op de lichtere gronden in het zuiden en (zuid)oosten werden voorheen veel middenvroege rassen gezaaid vanwege hun hogere opbrengstpotentie. Door veredeling is de opbrengstpotentie van vroegrijpe mais echter enorm gestegen.

Vroege mais met de opbrengst van middenvroeg

Als enige Nederlandse maiskweker is het veredelingsprogramma van LG al sinds de jaren ’80 gericht op het ‘vervroegen’ van maisrassen met een zeer hoge voederwaarde-opbrengst. Met succes: op de Aanbevelende Rassenlijst 2021 staan bijvoorbeeld LG 31.205 (zeer vroeg) met 22,1 ton ds en 22.200 kVEM per ha en LG 31.214 (vroeg) met 22,3 ton ds en 22.500 kVEM per ha. Dat is meer dan de meeste middenvroege – late rassen!

Naast de gelegenheid om voor 1 oktober het vanggewas na te zaaien, zijn er meer voordelen bij het zaaien van zeer vroege – vroege rassen:

  • Rijpe mais met hoge voederwaarde oogstrijp in september;
  • Vroege mais heeft minder kans op droogteschade, omdat de bloei en kolfaanleg vroeger in het jaar plaatsvinden;
  • Veel minder kans op structuurschade bij de maisoogst;
  • Op lichtere / warmere percelen is late zaai mogelijk;
  • Vroege oogst geeft in najaar ruimte voor de inzaai van grasland.

Onze ruwvoerspecialisten kregen dit najaar volop foto’s en filmpjes van enthousiaste maistelers bij het hakselen van hun massale percelen LG 31.205:

Massa en kwaliteit in 1

Een voldoende hoge drogestof opbrengst is nodig om de kuil te vullen, maar het werkelijk rendement wordt bepaald door je voederwaarde-opbrengst; de kVEM per hectare. Dit kengetal toont de combinatie van de tonnen opbrengst en de voederwaarde. Die voederwaarde komt bij snijmais uit het zetmeel (45%) en uit de restplant (30%). De voederwaarde die uit de restplant komt is afhankelijk van de celwandverteerbaarheid. Een hoge celwandverteerbaarheid maakt de energie in de cellen toegankelijk voor benutting. Een 5% hogere celwandverteerbaarheid levert zo 30 VEM extra per kg drogestof op!

Deze maiskuil bevat een zeer hoge VEM van 1058, uit een goed zetmeelgehalte én een zeer goede verteerbaarheid van 60,3%.

Meer melk uit eigen voer = lagere voerkosten

Meer kVEM van je hectares halen zorgt ervoor dat je meer melk uit eigen voer per hectare kunt produceren. Accountants en studieclubs zien dat daar grote verschillen in bestaan tussen bedrijven. Stijg je bijvoorbeeld van 4.000 kg meetmelk/ha uit eigen voer naar 8.000 kg, dan bespaar je al €400-€500 per hectare aan voeraankopen!

Kies dus ook in 2021 voor vroegrijpe maisrassen met de hoogste kVEM per hectare:

Meer tips of persoonlijk advies? Vraag het je ruwvoerspecialist:

  • Dit veld is bedoeld voor validatiedoeleinden en moet niet worden gewijzigd.